Gerard Berculo (15-7-1938) verteld
“We gingen op de brommer ballen halen in Soest”
De liefde voor het voetbal was er al vroeg bij Gerard. Hij zit op zijn praatstoel en verteld over zijn belevenissen bij Veensche Boys die tot ruim 70 jaar terug gaan in de tijd.
“Thuis in de Hooglandseweg ging ik als kind vaak voetballen met mijn broer Henk. Maar niet eerder dan dat de klusjes in en rond het huis klaar waren. Een voetbal hadden we niet, daar was geen geld voor. We maakten een balletje van een prop papier, waar we elastieken omheen draaiden. De bal was niet groter dan een tennisbal, maar dat ging prima. We vermaakten ons wel, voetballend op onze klompen.
Op de Rehobothschool in Holkerveen voetbalden we soms ook met een tennisbal, dat ging er fanatiek aan toe. In klas 4/5 (tegenwoordig groep 6/7) hadden we les van meester Altena. Een leuke en sportieve meester die ons vaak liet voetballen. Hij was onze trainer kun je zeggen. We gingen ook tegen andere scholen voetballen, zoals bijvoorbeeld de Poppeschool in Nijkerk. Waar in Nijkerk we precies voetbalden weet ik niet goed meer, maar ik weet nog wel dat we er dan op de fiets naar toe gingen.
Er waren een paar oudere jongens die voetbalschoenen hadden wist je, van die kicksen met stalen neus. Gert van Esveld en Wim van de Bor waren dat. Als je wist wanneer je een wedstrijd had van school, dan rende je snel naar één van die jongens om de voetbalschoenen te lenen. Wie het eerste was, mocht ze lenen, zo ging dat. Ons schoolteam heette W.V.N. wat staat voor Wij Verliezen Nooit. We hadden ook een soort strijdlied. Ik weet dat ook Eep ‘Labbie’ (Eep van de Beek), ‘Witte Ab’ (Ab Woudenberg Tzn) en “de Burger” (Ab Woudenberg Azn) meededen. Als kind wilde ik keeper zijn. Op school was ik vaak de keeper.
We woonden aan de Hooglandseweg 11 in Holkerveen, op hoek van het Dijkje. Als kind ging ik wel eens samen met wat vriendjes naar het voetbal kijken bij mijn oudere broer Gerrit die toen in het eerste van de Boys voetbalde. We liepen dan vanaf huis naar de Boys door het “Overbos” heen (het zwemgat en de camping waren er nog niet) naar het veld van de Boys, wat schuin achter het chauffeurscafé van Kees Kok onder het “Hoevelakense bos” lag (aan de kant van het Overbos). Dat is vlakbij waar nu het restaurant “The Old Peppermill” zit.
Eigenlijk wilde mijn vader er niks van weten dat we op zondag voetbal gingen kijken, maar hij zei er uiteindelijk niks van. In die tijd werd dat nog niet echt geaccepteerd dat er op zondag werd gevoetbald. Maar dat ging niet anders, want op zaterdag moest je nog werken. Het geloof stond nog hoog in het vaandel en op zondag was het een rustdag. Je ging naar de kerk en was “thuus” of bij familie op de koffie. Ik heb als jonge jongen toen ik net bij de Boys begon, nog wel een paar keer getraind op het veld bij Kees Kok. Al snel daarna verhuisden we naar het terrein bij Klaas Mostert, bij café ‘de oude Deel’ aan de Domstraat in Holkerveen (het veld lag waar nu het B.G. Ruitenbeekerf is).
Ik was ongeveer een jaar of 15 toen ik bij Veensche Boys ging voetballen. Ik ben begonnen met zo’n echte leren bal. Zelfs nog met ballen met zo’n dikke veter erin. Als je dan een bal kopte en precies op die veter kwam, dan stond die veter wel in je kop getekend. Dat was niet fijn. Ik begon in het tweede elftal en we trainden op donderdagavond met o.a. Rik v/d Bunt en Jan v/d Bunt de schilder. Later voetbalde ik met nog veel meer “Bunten”. In het eerste elftal begin jaren ’70 met Gert v/d Bunt “de Melkriejer” en later toen ik al uit het eerste was heb ik vanaf eind jaren ’70 met nog veel meer “Bunten” gevoetbald, zoals: Eb, Klaas, Jan en Herman.
In die tijd (jaren ’50 / ’60 vorige eeuw) voetbalden er ook veel mensen uit Hoevelaken bij Veensche Boys, omdat er in Hoevelaken nog geen voetbalvereniging was (die kwam er pas in 1963). Mannen als Hans Schoonewille, Teus van Rootselaar, Lammert van Uffelen, Henk van Kommer, en Henk van Doornik kwamen er andaan en voetbalden allemaal bij de Boys. Er waren toen als ik mij niet vergis 3 elftallen. Ik voetbalde veel met mijn broer Henk in het eerste, mijn broer Cor zat in een ander elftal, dat zal het derde geweest zijn en ook Geurt ‘Pipo’ van de Burgt.
In 1957 en 1958 was ik in dienst, waarvan ik maand of 15 bij de mariniers in Curaçao verbracht. Daar voetbalde ik in het eerste team van de marine en deden we mee aan de competitie. Trainen deed ik gewoon in de hitte, daar had ik geen problemen mee. Toen ik terug kwam thuis in juli 1958, kwam ik eigenlijk gelijk in het eerste te spelen. Arie van de Bunt stopte, omdat het niet meer ging. Hij stond op de backplaats en daar kwam ik toen te staan. In de begintijd werd er alleen op donderdag getraind, later trainden we ook op dinsdag. Ik heb een mooie tijd gehad in het eerste. Na de wedstrijd gingen we naar Café De Linden van Eef Veer (nu de Zomertuin), want daar was het schoon en netjes. Dat was bij Klaas Mostert wel andere lont.
We zijn een aantal keren kampioen geworden (1961 en 1968), onder andere samen met mijn broer Henk. Er stonden honderden mensen langs de lijn bij de wedstrijden tegen Hoogland, het zag zwart van het volk en dat was prachtig. We hadden altijd eerst een wedstrijdbespreking en gingen dan vaak op de fiets naar bijvoorbeeld Harderwijk, Achterveld, Hamersveld (nu Roda ‘46) en Scherpenzeel naar de uitwedstrijden. Ook wel met de veewagen van mijn broer Cor of met auto’s maar die had niet iedereen.
Om te promoveren moest je als kampioen 2 beslissingswedstrijden spelen (uit en thuis) tegen de kampioen van de andere tweede klasse, zoals in 1961. De winnaar van die wedstrijden ging dan een klasse hoger spelen. We wonnen en gingen naar de eerste klasse.
In de winterperiode was het lastig met trainen. Toen hadden we niet zo’n mooie lichtinstallatie zoals nu. Maar we redden ons en trainden wel eens in de gymzaal van de oude van Rootselaarschool. Die stond toen, waar nu de “De Bruijnhof” is. We vlogen dan in de klimrekken in. Of in de hallen van de WABO tegenover Klaas Mostert en zelfs in de varkensschuur van Evert Landman aan de Schoolstraat. Dit was bij de ouders van Jan, Tijmen, Gert, Henk en Kees. We sprongen dan over de muurtjes tussen de varkenshokken heen. Schrievers uit Amersfoort was toen onze trainer.
Ik heb een poos de ballen verzorgd, die waren toen nog van echt leer. Ik voetbalde toen nog gewoon in het eerste. Er waren niet zoveel ballen zoals nu. Je moest het doen met een klein aantal ballen, dat was alles wat je had. Er was een klein hokje, een soort ‘kiepehok’ met harmonicagaas er voor bij het voetbalveld, waar de ballen in lagen. Maar die werden natuurlijk ook “stiekem” door de jeugd gebruikt. Op zaterdag ging ik dan de ballen halen. Veel lagen er in de sloot en die ballen nam ik dan mee naar huis om ze te laten drogen. Daarna smeerde ik ze in met levertraanvet, wat ik bij Hannes van Essen aan de Schoolstraat haalde, zodat het leer niet uitdroogde. Levertraanvet werkte prima en was goedkoop.
Als Veensche Boys weer nieuwe ballen nodig had, ging ik bij Herman Rauwenhorst die een jaar of 20 ouder was, achter op de brommer naar Eb Karelsen in Soest. Bij deze sportzaak kon je nog een beetje handelen. Dan namen we bijvoorbeeld verkleurde ballen mee. Ze waren verder prima, maar doordat ze verkleurd waren, kregen we ze voor een prikkie, want veel geld hadden we niet bij de Boys. Ik had een groot ballennet meegenomen en daar gingen zoveel mogelijk ballen in. Achterop de brommer, met een net vol ballen reden we dan terug naar ’t Veen. Met mijn ene hand had ik de broekriem van Herman vast en met de andere hield ik het net met ballen op mijn rug, zo ging dat.
Toen ik een jaar of 23 was, ben ik begonnen als trainer van de jeugd. Dat heb ik ongeveer 10 jaar gedaan. Ik heb veel Veense jongens onder mijn hoede gehad, zoals bijvoorbeeld: Evert en Beert Blankestijn, Gert de Jong, Andries ‘Rot’ van Esveld, Aart ‘Pereboom’ van Soeren, Bram Ham, Jan, Cor en Wouter Bakker en ook mijn neefjes Aart Ruitenbeek, Aart Snijders, en Gert Berculo. Ik trainde de jongens doordeweeks. Er zaten echt een hoop goeie voetballers tussen. Op zaterdag ging ik niet mee met uitwedstrijden, want dan ging ik vaak klussen. Dan ging bijvoorbeeld Jan Worst mee. Bij de thuiswedstrijden was ik er meestal wel bij.
Ik weet nog, de eerste keer dat Hendrik-Jan Kas en Pim Koelewijn met het eerste mee mochten doen met het eerste. Ik was ongeveer een jaar of dertig en de jongens een jaar of 15 of 16. Het ging om een wedstrijd voor een goed doel op het velden van NSC. Dokter van de Kolk deed de aftrap. Maar we zaten wat krap in de spelers. Het was namelijk in het weekend van de TT Assen, daarom werden Hendrik-Jan en Pim gevraagd. Hendrik-Jan liep linksback en Pim stond rechts in de ‘vurhoede’. Ik stond ‘leste man’ en ik zei tegen Hendrik: “Niet bang wezen, d’r tegenop. Ik hou ‘t wel in de gaten”. Ja, ik was 15 jaar ouder. Ik was 30 jaar. Hendrik-Jan hoefde niet veul te doen, dat was gewoon zo. Ik nam ’t veur ‘m op, da’s logisch. Hendrik kwam toen al snel in ’t eerste bij de zondag, want hij had gewoon een hoop talent. Je kon hem overal neerzetten in het veld. Ook Pim Koelewijn was een leuk jong met veel talent. Hij ging bij de zaterdag voetballen.
In de bouwvak van 1969 heb ik meegeholpen metselen met de bouw van de oude kleedkamers 1 en 2 die aan de oude kantine vastzaten. Dat was onder de aannemer ‘ouwe’ Geurt van Deuveren. Dit was de vader van Geurt waarmee ik in het eerste heb gevoetbald. ‘Ouwe’ Ab Woudenberg (vader van ‘jonge Ab’ de Burger) was de opzichter. Henk Buitink ging opperen, Gijs van Soeren heb ik erbij getrokken om te metselen. ‘De ouwe burger’ (Ab Woudenberg) kwam stellen. Veel verenigingsmensen deden dit vrijwillig in hun vrije tijd. Het gaf veel voldoening als je elkaar zo hielp.
In 1975 stopte ik samen met Beert Dekker bij het eerste. Ik ging verder in het tweede, waar we ook nog kampioen mee werden en langzaam steeds verder in een lager elftal. Ik stopte in 2003 na 49 jaar voetballen. Ik was toen 65 jaar oud.
Ik vond het leuk om de wedstrijden van de veteranen te fluiten. Ik speelde toen in het eerste. Toen ik 30 was geworden werd ik al snel gevraagd om zelf mee te spelen met de wedstrijden van het veteranenelftal. Dat deed ik graag en ik kon het makkelijk opbrengen. Op zondag speelde ik mijn wedstrijd in het eerste elftal en op bijvoorbeeld maandagavond deed ik weer mee met de veteranen, samen met o.a. Aart ‘Latje’ van Dasselaar, Harmen Dusschoten, mijn broers Henk en Cor Berculo, Evert Schotsman, Aart ‘Monk’ Schotsman en Bram van Dasselaar. Dat vond ik altijd heel leuk.
Ook in de zaal ben ik lang actief geweest bij de Boys. Ik speelde lang samen met o.a. mijn broer Henk, Jan Blankestijn, Teusje Schotsman, Beert Dekker, Geurt van Deuveren, Willem Florijn, Jaap Prins, Henk Buitink, Aart ‘Monk’ Schotsman en Mas van de Brom op het doel. Mas heeft ook nog in het eerste van de zondag gevoetbald en was een goeie spits. Harmen Dusschoten was een hele poos de leider. Ik werd eigenlijk nooit gewisseld en dat vond ik vervelend voor mijn medespelers. Ik zei dan ook tegen Harmen: “Ik wil niet hen da we arremeu kriege, dat ik er altied in blief stoan.”
Maar hij zei dan: “Gerard, dat komt best vurmekaar.” En veel later, als we een keer te krap in de spelers zaten, want je wordt allemaal ouder en hebt dan wat vaker een blessure, dan belde mijn broer Henk naar de familie Buitenhuis. Peter en René wilden altijd wel bijspringen. Die stonden altied kloar.
Ik heb een keer in een onderlinge wedstrijd van het derde tegen het vierde samen met mijn zoon Henk gevoetbald. Toen hoefde het eerste niet waar hij in speelde. Henk weet dit nog maar al te goed en valt in. “Ik weet nog, dat ik niet goed wist wat ik tegen je moest zeggen in het veld, Gerard of pa. Ik vroeg de bal koos ervoor om te zeggen ”Gerard, speulen.” Je zette je poot op de bal en zei: “Wat Gerard? Ik bin je voar.” Ik hoor Toon van Rijn, Jan Scheffer en Dick Vaneveld nog lachen, die kwamen “nie meer bie”. Ik heb die ene wedstrijd voetballen met mijn vader als heel mooi ervaren.”
Bestuursfuncties heb ik niet gehad. Ik was liever op het veld bezig en ik was ook lid van Concordia en daar gaat ook tijd in zitten. Als er iets gelijktijdig was, dan ging ik naar de muziek en dat wist iedereen. Ik heb alle voorzitters meegemaakt. Het begon met de oprichter van de Boys Peet Vaneveld, dat was een hele aardige fijne man. Zijn zus San (Suzanne) was getrouwd met mijn broer Gerrit. Dat is waarschijnlijk de reden dat Gerrit is gaan voetballen bij Veensche Boys. Gerrit heeft nog gevoetbald op de hei bij Kruishaar. Daar begon het met de Boys.
Er is veel veranderd bij Veensche Boys en dat is ook goed. Ik heb een hele mooie tijd gehad en kijk daar ook heel goed op terug. Het was een prachtige tijd die je zo weer over wilt doen. In 2003 ben ik gestopt met voetballen, ik was toen 65, toen vond ik het wel mooi geweest.”
Sinds 30 september 2025 woont Gerard in verzorgingshuis “Sint Jozef” in Hooglanderveen, waar hij nog zeer regelmatig kijkt naar de oude foto’s en krantenknipsels uit de tijd dat hij voetbalde. Hij heeft hier mooie herinneringen aan en verteld je nog precies hoe het toen was.






